ECLI:NL:CRVB:2011:BV0976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.F. Bandringa
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vermogen bij aanvang bijstand en waardering bouwgrond in Turkije
Appellant ontving sinds 1988 bijstand en het College stelde bij besluit van 7 augustus 2007 de bijstand over een periode terug in wegens gezamenlijke huishouding. Later werd het vermogen van appellant bij aanvang van de bijstand definitief vastgesteld, waarbij ook de waarde van bouwgrond in Turkije werd betrokken. Appellant maakte bezwaar tegen de waardering van deze bouwgrond, stellende dat de waarde lager was dan vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de vermogensvaststelling geen rechtsgevolg zou hebben. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het besluit wel rechtsgevolg heeft en vernietigt het besluit van 2 november 2009 en de uitspraak van de rechtbank. De Raad beoordeelt zelf de waarde van de bouwgrond en acht de taxatie van € 25.000 door een makelaar, in opdracht van de ambassade, betrouwbaar.
De Raad wijst de door appellant overgelegde verklaring van het dorpshoofd af wegens gebrek aan deskundigheid en onduidelijkheid. Ook de lagere waarde voor onroerendezaakbelasting wordt niet als marktwaarde erkend. De Raad verklaart het bezwaar ongegrond en veroordeelt het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de vermogensvaststelling wordt ongegrond verklaard en de waarde van de bouwgrond in Turkije wordt bevestigd op € 25.000.