ECLI:NL:CRVB:2010:BM3585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- K.J. Kraan
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Recht op uitbetaling niet-genoten vakantiedagen na faillissement werkgever
Appellant was in dienst bij een werkgever die op 14 april 2008 failliet werd verklaard. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vroeg appellant het UWV om overname van de betalingsverplichting van niet-genoten vakantiedagen. Het UWV wees dit verzoek af, stellende dat de vakantiedagen geacht werden te zijn genoten tijdens seizoen- en winterstop. De rechtbank bevestigde dit standpunt en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij nooit vakantie had opgenomen en dat er geen afspraken waren gemaakt over het opnemen van vakantie tijdens de seizoenstop. De Raad overwoog dat het primaat bij de werknemer ligt om vakantiedagen vast te stellen en dat er geen aanwijzingen zijn voor een stilzwijgende afspraak over vakantie tijdens de seizoenstop. Omdat appellant niet aannemelijk kon worden gemaakt dat hij vakantie had genoten, had hij recht op uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen.
De Raad stelde vast dat de aanspraak op vakantie minimaal viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week bedraagt, wat in dit geval neerkomt op 40 uur. Hoewel appellant een hoger aantal uren vorderde, kon dit niet worden geverifieerd. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV opnieuw moet beslissen, inclusief vergoeding van kosten en wettelijke rente. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Appellant heeft recht op uitbetaling van 40 niet-genoten vakantie-uren; het UWV-besluit wordt vernietigd.