ECLI:NL:CRVB:2010:BM6117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en terugvordering WW-uitkering bij niet-melding ouderdomspensioen
Appellant was werknemer bij een werkgever tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst in 2002. Het Uwv weigerde aanvankelijk een WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden, maar na vernietiging door de Raad werd een WW-uitkering toegekend met terugwerkende kracht. Appellant vroeg vervolgens vergoeding van fiscale schade door vervroegd pensioen, wat het Uwv grotendeels afwees.
Appellant maakte pas in 2006 melding van zijn ouderdomspensioen dat sinds 2004 werd ontvangen, waarna het Uwv de WW-uitkering herzag en terugvorderde. De rechtbank oordeelde dat de fiscale schade niet voor vergoeding in aanmerking kwam omdat het vervroegd pensioen een eigen keuze was. Ook werd de terugvordering deels bevestigd.
De Centrale Raad oordeelt dat het Uwv in strijd met de Awb het nadere terugvorderingsbesluit niet aan de rechtbank heeft toegezonden, waardoor de rechtbank dit niet kon beoordelen. De Raad bevestigt dat het vervroegd pensioen een eigen keuze was en dat appellant zijn inlichtingenplicht schond door het pensioen niet tijdig te melden. Hierdoor was het Uwv gerechtigd het pensioen met terugwerkende kracht op de WW-uitkering in mindering te brengen en de te veel betaalde uitkering terug te vorderen. Het beroep tegen het terugvorderingsbedrag wordt ongegrond verklaard. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het Uwv mag de te veel betaalde WW-uitkering terugvorderen wegens schending van de inlichtingenplicht.