ECLI:NL:CRVB:2010:BM6118

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3717 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62, derde lid, WWArt. 7:12, eerste lid, AwbArt. 8:72, derde lid, AwbHoofdstuk IV WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag overname betalingsverplichtingen wegens ontbrekende betalingsonmacht werkgever

Appellant diende een aanvraag in bij het UWV voor overname van betalingsverplichtingen vanwege betalingsonmacht van zijn werkgever. Het UWV wees deze aanvraag af omdat de aanvraag te laat was ingediend en geen blijvende betalingsonmacht was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat de afwijzing onterecht was. De Raad constateerde dat appellant geen voldoende bewijs had geleverd van een blijvende betalingsonmacht van de werkgever. De door appellant overgelegde ongedateerde brief betrof een reactie op loonopschorting vanwege vermeende onvoldoende re-integratie-inspanningen, en niet op betalingsonmacht.

Het UWV kon het besluit niet handhaven omdat geen betalingsonmacht was vastgesteld. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens het ontbreken van bewijs van betalingsonmacht.

Uitspraak

09/3717 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2009, 08/4368 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 mei 2010.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. H. Durdu, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 18 maart 2010 door de Raad gestelde vragen beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Durdu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Snatager. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Daarbij is bepaald dat het Uwv nadere stukken in het geding zal brengen en is de datum van de nadere zitting bepaald op 15 april 2010.
Het Uwv heeft bij brief van 9 april 2010 de gevraagde nadere stukken doen toekomen aan de Raad en aan appellants gemachtigde. De Raad heeft aan deze gemachtigde nadere vragen gesteld bij faxbericht van 13 april 2010.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 15 april 2010, waar voornoemde gemachtigden zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is met ingang van 4 april 2005 in dienst getreden van [naam werkgever] (hierna: werkgever). Bij ongedateerde brief heeft appellant zijn werkgever in verband met stopzetting van de loonbetaling met ingang van augustus 2007 verzocht zijn loon weer te storten op zijn bankrekening. Op deze brief is geen reactie gekomen.
1.2. Op 21 juli 2008 heeft appellant een aanvraag ingediend bij het Uwv om overname van de betalingsverplichtingen vanwege betalingsonmacht van de werkgever in de zin van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW). Hij heeft daarin vermeld dat zijn loon is doorbetaald tot en met 30 juni 2007. Bij besluit van 13 augustus 2008 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen.
1.3. Bij besluit van 16 september 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 augustus 2008 ongegrond verklaard op de grond dat de aanvraag meer dan 26 weken nadat de werkgever is komen te verkeren in een blijvende toestand van betalingsonmacht is ingediend. Volgens het Uwv vormt de door appellant aangevoerde reden geen aanleiding om van artikel 62, derde lid, van de WW af te wijken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 september 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat appellant zijn aanvraag om overname van betalingsverplichtingen buiten de 26 weken na het ontstaan van de betalingsonmacht heeft ingediend. Volgens de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten om op grond van artikel 62, derde lid, van de WW een bijzonder geval aan te nemen.
3.1. Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
3.2. Ter zitting van 15 april 2010 heeft het Uwv de Raad meegedeeld dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat een situatie van blijvende betalingsonmacht niet is vastgesteld. De motivering van het besluit had moeten luiden dat door appellant op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat ten tijde van belang sprake was van een blijvende toestand van betalingsonmacht. Appellant heeft de Raad verzocht hierover een oordeel te geven.
Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad het volgende.
4.1. Van faillissement van de werkgever of van een aan de werkgever verleende surséance van betaling was in dit geval geen sprake. Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken, is het, gezien het karakter van de overnemingsregeling, zoals opgenomen in hoofdstuk IV van de WW, als laatste redmiddel om het niet betaalde loon alsnog betaald te krijgen, aan de werknemer om aannemelijk te maken dat zijn werkgever ten tijde van belang feitelijk in een blijvende toestand verkeerde van opgehouden hebben te betalen. Op het Uwv rust eerst de verplichting zelf aanvullend onderzoek te doen indien de door betrokkene verstrekte gegevens wijzen in de richting van betalingsonmacht.
4.2. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat de door appellant verstrekte gegevens niet wijzen in de richting van betalingsonmacht. De door appellant overgelegde ongedateerde brief aan zijn werkgever is een reactie op de opschorting van het loon van appellant omdat hij naar de mening van de werkgever niet aan zijn re-integratie zou hebben meegewerkt. Appellant heeft geen andere stukken overgelegd waaruit de gestelde betalingsonmacht zou kunnen blijken.
De door het Uwv ingezonden stukken wijzen in de richting van het niet langer betalen van loon omdat werkgever zich op het standpunt stelde dat per 5 oktober 2007 het dienstverband met appellant was beëindigd. Dat de werkgever per 1 juli 2007 al de betaling van loon aan appellant zou hebben gestaakt is evenmin vast komen te staan. De Raad concludeert daarom dat aan de voorwaarden voor toepassing van hoofdstuk IV van de WW in het geval van appellant niet is voldaan.
4.3. Nu het bestreden besluit door het Uwv niet wordt gehandhaafd komt het wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen, en gezien hetgeen in 4.2 is geconcludeerd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand blijven.
4.4. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 805,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.449,--;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2010.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.W.J. Hospel.
BvW
205