ECLI:NL:CRVB:2010:BM6122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering WW-uitkering wegens eigen toedoen geen passende arbeid behouden
Appellante was werkzaam als verpakkingsmedewerkster en ontving een WW-uitkering vanwege verplaatsing van bedrijfsactiviteiten. Zij trad per 1 september 2007 in dienst bij een nieuwe werkgever, maar werkte slechts één dag. Het UWV beëindigde daarop de WW-uitkering en vorderde het betaalde bedrag terug omdat appellante door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat de werkgever haar had opgedragen te vertrekken en dat er onredelijke werktijden waren opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de beëindiging van het dienstverband op initiatief van appellante was en dat de werktijden redelijk waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen, maar de Raad volgde het UWV en de rechtbank. De Raad stelde vast dat appellante niet was ontslagen, maar zelf niet wilde instemmen met de gewijzigde werktijden, waardoor zij door eigen toedoen geen passende arbeid behield. Het beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging en terugvordering van de WW-uitkering wordt bevestigd.