ECLI:NL:CRVB:2010:BM6147

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1864 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Vakantieregeling WW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontzegging WW-uitkering over te veel opgenomen vakantiedagen

Appellant ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidsgraad van 80-100%, die na herbeoordeling werd vastgesteld op 15-25%. Vanaf 23 juli 2007 vroeg appellant een WW-uitkering aan en meldde vakantie van 26 juli tot 31 augustus 2007. Het UWV kende hem een WW-uitkering toe vanaf 23 juli 2007, maar ontzegde hem het recht op uitkering over achttien vakantiedagen, omdat hij meer vakantiedagen opnam dan het evenredige deel van het maximum van twintig per jaar.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de Vakantieregeling WW een evenredige vermindering van vakantiedagen voorschrijft bij een WW-aanvang halverwege het jaar. De rechtbank verwierp het argument dat een uitzondering voor WAO-ers gerechtvaardigd zou zijn, omdat deze geen vakantiedagen opbouwen tijdens WAO.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de regeling onbillijk is omdat hij geen vakantiedagen had opgenomen tijdens de WAO-periode en dat hij daardoor onterecht minder vakantiedagen kreeg toegekend in de WW. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat de Vakantieregeling WW een algemeen verbindend voorschrift is zonder afwijkingsmogelijkheid. Ook als appellant een dienstverband had gehad, zou het recht op vakantiedagen naar evenredigheid zijn vastgesteld.

De Raad concludeerde dat het UWV terecht het recht op WW-uitkering over achttien vakantiedagen heeft ontzegd en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot ontzegging van WW-uitkering over achttien vakantiedagen wordt bevestigd.

Uitspraak

09/1864 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 maart 2009, 08/1638 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 mei 2010.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2010. Appellant is - met voorafgaande kennisgeving - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 juli 2007 vastgesteld op 15-25%.
1.2. Op 25 mei 2007 heeft appellant een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Bij brief van 5 juli 2007 heeft appellant het Uwv bericht in de periode van 26 juli 2007 tot en met 31 augustus 2007 met vakantie te willen.
1.3. Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 23 juli 2007 een WW-uitkering toegekend. Bij afzonderlijk besluit van 14 augustus 2007 heeft het Uwv appellant het recht op WW-uitkering ontzegd over achttien vakantiedagen. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant, gezien de ingangsdatum van zijn WW-uitkering, over 2007 geen recht heeft op het in de Vakantieregeling WW neergelegde maximum aantal vakantiedagen van 20 per jaar, maar op een evenredig deel daarvan, te weten negen dagen. Appellant gaat 27 dagen op vakantie en neemt aldus 18 vakantiedagen te veel op. Bij besluit van 19 februari 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant ingevolge artikel 3 van Pro de Vakantieregeling WW recht heeft op negen vakantiedagen met behoud van uitkering. De rechtbank heeft overwogen dat de Vakantieregeling WW een methode is om het aantal dagen waarop recht op vakantie met behoud van uitkering bestaat en dat per kalenderjaar twintig bedraagt evenredig te verminderen in gevallen waarin de werkloosheid eerst ontstaat in de loop van een kalenderjaar. Uit de toelichting bij de Vakantieregeling WW valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat er voor diegenen die vanuit de WAO in de WW terecht komen een uitzonderingspositie kan of moet worden gemaakt. Evenmin blijkt uit deze toelichting dat de wetgever dergelijke situaties over het hoofd heeft gezien. Het zou wetstechnisch onjuist zijn als er vanuit de WW gecompenseerd zou worden voor het gegeven dat een belanghebbende in de WAO geen vakantie zou hebben opgenomen. De rechtbank heeft benadrukt dat een belanghebbende in de WAO geen vakantierechten opbouwt en er dus ook geen sprake kan zijn van het kwijtraken van vakantiedagen.
3. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de uitkomst van de toepassing van de Vakantieregeling onbillijk is. Hij heeft erop gewezen dat hij in 2007 tot 26 juli niet met vakantie is geweest en derhalve nog geen vakantiedagen heeft opgenomen. Indien hij vanuit een loonsituatie in de WW terecht was gekomen was het redelijk dat een evenredig aantal dagen zou worden gekort omdat hij die dagen dan als vakantiedagen uitbetaald had gekregen. In het kader van de WAO gebeurt dat niet, noch kan hij vakantiedagen meenemen naar de WW. Omdat appellant halverwege het jaar van de WAO naar de WW is overgeheveld, heeft hij uiteindelijk maar negen vakantiedagen gedurende het hele jaar 2007. Dit kan volgens appellant niet de bedoeling zijn van de Vakantieregeling. Volgens hem is dus wel degelijk een uitzondering gerechtvaardigd. Appellant heeft er voorts nog op gewezen dat het in het kader van de WAO is toegestaan met behoud van uitkering op vakantie te gaan en dat dit ook aan het Uwv gemeld moet worden, zodat er volgens hem gedurende de WAO-periode wel degelijk sprake is van vakantierechten.
4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, zoals weergegeven in 2, en neemt deze over. De Raad voegt daar nog aan toe dat de Vakantieregeling WW een algemeen verbindend voorschrift is en niet voorziet in de mogelijkheid om van de daarin opgenomen regeling af te wijken. Voor zover appellant zich onrechtvaardig behandeld voelt, wijst de Raad erop dat de situatie van appellant niet anders zou zijn geweest indien appellant per 23 juli 2007 een dienstverband zou zijn aangegaan met een werkgever. Ook in dat geval zou appellant voor het jaar 2007 slechts aanspraak hebben kunnen maken op een naar evenredigheid vastgesteld aantal vakantiedagen. Het Uwv heeft derhalve terecht vastgesteld dat appellant over achttien uitkeringsdagen geen WW-uitkering toekomt.
5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2010.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) B. Bekkers.
BvW
185