ECLI:NL:CRVB:2010:BM7470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Appellant was sinds 1975 in dienst bij Arriva als [naam functie]. Naar aanleiding van een klacht van een passagier werd een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat appellant zich schuldig maakte aan frauduleuze handelingen, waaronder het innen van geld zonder kaartje en het vervoeren tegen een te lage ritprijs zonder geldig kaartje. Hierop werd appellant op staande voet ontslagen.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant door zijn gedragingen een dringende reden gaf voor ontslag. Appellant stelde in hoger beroep dat hem geen verwijt viel te maken.
De Raad toetste de feiten aan de hand van getuigenverklaringen, eerdere vonnissen en processtukken en concludeerde dat appellant inderdaad verwijtbaar werkloos is geworden. De vertrouwensfunctie van zijn functie maakte zijn gedragingen ontoelaatbaar. Hoewel het ontslag grote gevolgen had, was het gedrag van appellant voorspelbaar en ernstig genoeg om het ontslag en de weigering van de WW-uitkering te rechtvaardigen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Raad bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.