ECLI:NL:CRVB:2010:BM9087

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1744 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZiektewetArt. 29a ZiektewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering bij IVF-behandeling geen zwangerschap

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden waarin werd bepaald dat een werkneemster geen recht had op een Ziektewetuitkering wegens arbeidsongeschiktheid voortkomend uit een IVF-behandeling. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had eerder besloten de uitkering te beëindigen omdat volgens de geldende Standaard "Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid" bij IVF-behandeling geen sprake is van zwangerschap.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat artikel 19, tweede lid, van de Ziektewet het recht op ziekengeld regelt bij ongeschiktheid door zwangerschap of bevalling en dat artikel 29a de hoogte van het ziekengeld bepaalt. De Standaard, ontwikkeld voor de beoordeling van causaliteit bij zwangerschap en bevalling, sluit IVF-behandelingen uit als zwangerschap omdat er nog geen innesteling heeft plaatsgevonden.

De Raad vond geen aanwijzingen dat bij de werkneemster sprake was van innesteling van het embryo, waardoor geen zwangerschap kon worden vastgesteld. Daarom werd het standpunt van het Uwv en de rechtbank gevolgd en het beroep ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De Ziektewetuitkering wordt beëindigd omdat een IVF-behandeling zonder innesteling niet als zwangerschap wordt beschouwd.

Uitspraak

09/1744 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 februari 2009, 08/931 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010.
Appellante heeft zich niet doen vertegenwoordigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij brief van 3 september 2007 heeft appellante aan het Uwv gemeld dat haar werkneemster [naam werkneemster] vanaf 27 augustus 2007 arbeidsongeschikt is ten gevolge van medische handelingen, hopelijk leidend tot zwangerschap (IVF-behandeling).
2. Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het Uwv aan mevrouw [werkneemster] meegedeeld dat zij geen recht heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet.
3. Bij besluit van 11 maart 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 oktober 2007 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat gelet op de Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid” bij een IVF-behandeling geen sprake is van zwangerschap.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij het standpunt van het Uwv gevolgd dat in dit geval niet gebleken is van een zwangerschap.
5. De Raad heeft het volgende overwogen.
5.1. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Ziektewet heeft de vrouwelijke verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Ingevolge artikel 29a van de Ziektewet wordt het ziekengeld in dat geval vastgesteld ter hoogte van het dagloon.
5.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 29 november 2006, LJN AZ3489) beschrijft voormelde standaard (Lisv-mededeling M 99.47, van 29 april 1999, hierna te noemen: de Standaard) de werkwijze en de criteria die de verzekeringsarts moet hanteren bij de beantwoording van de vraag of de ongeschiktheid van de vrouw voor haar arbeid het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. De Standaard is dus ontwikkeld met het oog op de beoordeling van de vraag naar de causaliteit, zoals neergelegd in voormelde wettelijke bepalingen, zodat het standpunt van appellante dat de Standaard niet berust op wet- of regelgeving niet kan worden onderschreven.
5.3. In rubriek 4.2 van de Standaard worden bijzondere situaties behandeld, waaronder in rubriek 4.2.2 de vruchtbaarheidsbehandelingen. Daarin is onder meer vermeld dat bij procedures rond IVF-behandeling (nog) geen sprake is van zwangerschap, zodat verzuim of arbeidsongeschiktheid in deze gevallen niet kan worden gezien als veroorzaakt door zwangerschap. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 23 juni 2008 heeft gesteld komt uit de stukken verder niet naar voren, dat bij voornoemde werkneemster innesteling van het embryo in de baarmoederwand heeft plaatsgevonden, zodat geen sprake was van een zwangerschap.
6. Op grond van hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.A. van Amerongen.
IvR