ECLI:NL:CRVB:2010:BM9273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in tweede spoor
Appellant, werkgever, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen na ziekte van een werknemer. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing, stellende dat alle redelijke re-integratie-inspanningen waren verricht en dat er geen reële mogelijkheden voor spoor 2 waren vanwege de beperkingen van de werknemer.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellant tekort was geschoten in zijn re-integratieverplichtingen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad baseerde zich op diverse rapportages van arbeidsdeskundigen en bedrijfsartsen die concludeerden dat appellant te afwachtend was geweest en dat het spoor 2 traject eerder had moeten worden ingezet toen duidelijk werd dat werkhervatting binnen het eigen bedrijf niet mogelijk was.
De Raad oordeelde dat appellant geen deugdelijke grond had voor het niet tijdig starten van het tweede spoor en dat het volgen van adviezen van de bedrijfsarts niet ontsloeg van de verantwoordelijkheid voor re-integratie. De loonsanctie werd daarom gehandhaafd. De Raad wees ook een verzoek tot vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.