ECLI:NL:CRVB:2010:BM9365
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Appellant was sinds 1999 in dienst bij een besloten vennootschap als magazijnmedewerker. Na meerdere incidenten omtrent zijn afwezigheid en het niet verschijnen op het werk op 1 december 2008, ondanks een uitdrukkelijke sommatie, heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst laten ontbinden door de kantonrechter en een vergoeding toegekend.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep betoogde appellant dat zijn afwezigheid te wijten was aan ziekte en dat hij zich ziek had gemeld, wat volgens hem onvoldoende werd meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de kantonrechter terecht een dringende reden aannam voor ontslag op staande voet, dat de werkgever tijdig handelde, en dat de persoonlijke omstandigheden van appellant geen beletsel vormden. De Raad verwierp het beroep en bevestigde de weigering van de WW-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet.