ECLI:NL:CRVB:2010:BM9432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Terugvordering bovenwettelijke werkloosheidsuitkering ondanks finale kwijting
Appellant, voormalig gynaecoloog bij het Erasmus Universitair Medisch Centrum (EMC), ontving vanaf februari 2002 een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Na vernietiging van zijn ontslagbesluit in 2003 werden de uitkeringen ingetrokken omdat appellant toen niet werkloos was. In december 2003 sloten partijen een overeenkomst tot beëindiging van het dienstverband met een finale kwijtingclausule.
In april 2004 vorderde het EMC de onverschuldigde bovenwettelijke uitkering terug. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de terugvordering onder de finale kwijting viel en dat het niet terugvorderen een compensatie vormde voor gederfde inkomsten en leed. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en baseerde zich op de RBWAZ-regeling.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak omdat het EMC het Bwaz had moeten toepassen, waarbij terugvordering een bevoegdheid is en niet dwingendrechtelijk voorgeschreven. De Raad oordeelt dat de finale kwijting in de overeenkomst de terugvordering niet in de weg staat, mede omdat partijen bij het sluiten van de overeenkomst al wisten dat de uitkering onterecht was en teruggevorderd zou worden.
De Raad verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt het EMC in proceskosten en bepaalt dat het EMC het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de terugvordering van de bovenwettelijke uitkering wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd.