ECLI:NL:CRVB:2010:BN0258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstand aan niet-toegelaten vreemdeling met beroep op artikel 8 EVRM
Appellant, een Eritrese niet-toegelaten vreemdeling, verzocht op 4 november 2009 om bijstand op grond van de WWB, welke werd geweigerd vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning. Appellant voerde aan dat deze weigering zijn privéleven onmogelijk maakte in strijd met artikel 8 EVRM Pro, mede gelet op zijn uitzichtloze situatie en psychische klachten.
De Raad stelde vast dat appellant geen rechtmatig verblijf had en geen aanvraag had ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking voor vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken. Hoewel appellant niet kon worden teruggestuurd naar Eritrea vanwege risico op verboden behandeling, had hij niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder bijstand zijn privéleven niet kon uitoefenen.
De Raad verwees naar jurisprudentie van het EHRM en benadrukte dat staten een ruime beoordelingsmarge hebben bij het toekennen van sociale voorzieningen aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Gezien de omstandigheden vond de Raad dat de weigering van bijstand een fair balance weerspiegelde tussen publieke en particuliere belangen.
Het beroep van appellant op artikel 8 EVRM Pro werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstand aan appellant zonder rechtmatig verblijf en wijst het beroep op artikel 8 EVRM af.