ECLI:NL:CRVB:2010:BN1176

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4973 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing over ingangsdatum toekenning bijstandsuitkering

Appellant verzocht om een bijstandsuitkering met terugwerkende kracht vanaf 28 augustus 2006, nadat zijn aanvraag voor een werkloosheidsuitkering was afgewezen. De rechtbank stelde vast dat appellant niet daadwerkelijk vóór 7 maart 2007 een aanvraag om bijstand had ingediend. De rechtbank wees het beroep af, omdat de gevolgen van een inschattingsfout over de ontslagprocedure voor rekening van appellant komen en onbekendheid met regelgeving geen rechtvaardiging biedt voor terugwerkende toekenning.

In hoger beroep bracht appellant een psychiatrische verklaring in, maar de Raad oordeelde dat deze geen aanleiding gaf om het eerdere oordeel te wijzigen. De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat appellant onvoldoende nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd om een eerdere ingangsdatum te rechtvaardigen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het besluit van het College en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 8 juli 2010.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de bijstandsuitkering blijft 7 maart 2007.

Uitspraak

08/4973 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2008, 07/2923 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.M.L. van Berkel, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de aanvraag van appellant om een werkloosheidsuitkering afgewezen. Appellant heeft zich vervolgens op 28 augustus 2006 bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI) gemeld met het oog op het indienen van een aanvraag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), maar tot een vervolggesprek is het toen niet gekomen.
1.2. Op 7 maart 2007 heeft appellant zich opnieuw bij de CWI gemeld voor een aanvraag om bijstand, waarna het College bij besluit van 25 april 2007 bijstand aan appellant heeft toegekend met ingang van 7 maart 2007. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 juli 2007.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 3 juli 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat niet is komen vast te staan dat appellant al voor 7 maart 2007 daadwerkelijk een aanvraag om bijstand heeft ingediend. De gevolgen van de inschatting(sfout) over de ontslagprocedure op grond waarvan appellant de aanvraag van 28 augustus 2006 niet heeft doorgezet dienen naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van appellant te komen. Nu appellant zijn stelling dat hij door de CWI onjuist zou zijn geïnformeerd niet nader heeft onderbouwd, kan dit naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid opleveren die een eerdere ingangsdatum dan 7 maart 2007 rechtvaardigt, terwijl ook onbekendheid met de regelgeving toekenning van bijstand met terugwerkende kracht niet rechtvaardigt.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep ingebrachte verklaring van 7 juni 2010 van psychiater G.E. Smid, overweegt de Raad dat deze verklaring geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het appellant ten tijde van de aanvraag van 28 augustus 2006 niet kan worden toegerekend dat hij die aanvraag niet heeft doorgezet.
3.2. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in vergelijking met zijn stellingen in bezwaar en beroep verder geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
3.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) R.L.G. Boot.
AV