ECLI:NL:CRVB:2010:BN1181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking bij uitzendbureau
Appellante maakte aanspraak op een WW-uitkering over de periode van 2 augustus 2004 tot en met 1 augustus 2005. Het UWV trok deze uitkering in op grond van het ontbreken van een dienstbetrekking met het uitzendbureau, gebaseerd op onderzoeksbevindingen waaronder valse arbeidsovereenkomsten en administratieve gegevens.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij niet aannemelijk had gemaakt daadwerkelijk werkzaam te zijn geweest bij het uitzendbureau. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vier dagen per week op kantoor eenvoudige werkzaamheden verrichtte en daarnaast bij een bloemenveiling werkte, maar kon dit niet met objectief bewijs onderbouwen.
De Raad stelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen dienstbetrekking bestond en dat het aan appellante was om dit te weerleggen met verifieerbare gegevens. De verklaringen van betrokkenen, administratieve documenten en het ontbreken van bewijs van daadwerkelijke werkzaamheden leidden tot de conclusie dat appellante ten onrechte als werknemer was aangemerkt.
De Raad wees erop dat een vrijspraak in een strafrechtelijke procedure niet bindend is voor de bestuursrechter, omdat het hier om een andere rechtsvraag en procedure gaat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WW-uitkering bevestigd. Een verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering door het UWV wordt bevestigd omdat appellante ten onrechte als werknemer is aangemerkt.