ECLI:NL:CRVB:2010:BN1199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsverledeneis voor verlenging WW-uitkering op grond van artikel 42 WW
Appellant maakte bezwaar tegen de beslissing van het Uwv om zijn WW-uitkering niet te verlengen omdat hij niet voldeed aan de arbeidsverledeneis van artikel 42, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Hij stelde dat hij in vier van de vijf jaren voorafgaand aan zijn werkloosheid, waaronder 2004, over ten minste 52 dagen per jaar loon had ontvangen.
De Centrale Raad van Beroep heeft het bewijs onderzocht, waaronder werkbriefjes, arbeidsovereenkomsten en aanvullende verklaringen. Uit de documenten bleek dat appellant in 2004 slechts op 48 dagen loon had ontvangen. Zijn stelling dat hij meer dagen had gewerkt werd niet aannemelijk gemaakt, mede omdat de verklaring van de werkgever niet strookte met de arbeidsovereenkomst en de overgelegde giroafschriften en kassabon geen bewijs vormden dat hij daadwerkelijk op de betwiste dagen had gewerkt.
De Raad oordeelde dat appellant gehouden is aan zijn eigen opgave op de werkbriefjes, tenzij hij dit met objectief bewijs kan weerleggen. Dit is niet gelukt. Het Uwv heeft daarom terecht geconcludeerd dat appellant niet voldoet aan de arbeidsverledeneis en de uitkeringsduur niet verlengd.
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Utrecht wordt bevestigd. Tevens is het verzoek om schadevergoeding afgewezen en zijn geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant niet heeft aangetoond dat hij in 2004 over ten minste 52 dagen loon heeft ontvangen.