ECLI:NL:CRVB:2010:BN1647
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit bijstand wegens onvoldoende motivering over periode begin 2006
Appellante ontving vanaf september 2005 bijstand van de gemeente Utrecht. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar drugshandel en witwassen werd zij vanaf mei 2006 verdacht en later veroordeeld voor betrokkenheid bij een criminele organisatie. Het College trok haar bijstand per 13 september 2006 in vanwege haar detentie en later ook met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2006 wegens betrokkenheid bij criminele activiteiten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat er geen bewijs was voor haar betrokkenheid bij de criminele organisatie vóór mei 2006. De Raad oordeelde dat het College onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij in de periode van 1 januari tot en met 31 maart 2006 betrokken was bij criminele activiteiten. Bewijs zoals een aantekening in een agenda en een reis naar Italië waren onvoldoende om die betrokkenheid te staven.
De Raad vernietigde daarom het besluit voor die periode wegens strijd met het motiveringsbeginsel en bepaalde dat het College een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 januari tot en met 31 maart 2006 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.