ECLI:NL:CRVB:2010:BN1974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag wegens plichtsverzuim
Betrokkene was werkzaam als ambtenaar en werd ontslagen wegens plichtsverzuim. Na het ontslag vroeg hij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Het UWV baseerde dit op het gedrag van betrokkene dat een dringende reden voor ontslag vormde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene tegen de weigering gegrond en vernietigde het besluit, omdat het plichtsverzuim niet de opgelegde straf van ontslag op staande voet rechtvaardigde en er geen dringende reden was voor verwijtbare werkloosheid. Het UWV stelde in hoger beroep dat het besluit van 29 mei 2008 een herhalingsbesluit was en betrokkene niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.
De Centrale Raad oordeelde dat het besluit geen herhalingsbesluit was en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de waarschijnlijkheid van blijvende weigering van de WW-uitkering. De Raad benadrukte dat de beoordeling van verwijtbare werkloosheid moet plaatsvinden aan de hand van de criteria voor dringende reden zoals bedoeld in artikel 678 BW Pro, waarbij ook persoonlijke omstandigheden en de reactie van de werkgever meewegen.
Het UWV had niet voldoende gemotiveerd hoe deze elementen waren betrokken bij het besluit. Daarom werd het besluit vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel uit artikel 3:2 Awb Pro. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van het UWV werd verworpen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de vernietiging van het besluit tot blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wegens onvoldoende zorgvuldigheid van het UWV.