ECLI:NL:CRVB:2010:BN2179
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om herziening IOAZ-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Verzoeker, een voormalige zelfstandige, ontving een IOAZ-uitkering na beëindiging van zijn onderneming. Het College trok deze uitkering in vanwege inschrijving in een nieuwe vennootschap onder firma, waarna bezwaar en beroep werden afgewezen. Verzoeker vroeg herziening van de uitspraak van 9 november 2004, stellende dat de grondslag voor zijn Waz-uitkering onjuist was vastgesteld en dat fouten van het Uwv en het College hadden geleid tot onterechte uitkering.
De Raad oordeelde dat het verzoek om herziening een tweede verzoek betrof en dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet nieuw waren in de zin van artikel 8:88 Awb Pro. De mediation en vaststellingsovereenkomst tussen verzoeker, het College en het Uwv betroffen geen feiten die tot een andere uitspraak konden leiden.
De Raad benadrukte dat het herzieningsmiddel niet bedoeld is voor hernieuwde discussie over de zaak of de uitspraak. Daarom werd het verzoek afgewezen zonder veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 juli 2010.
Uitkomst: Het verzoek om herziening van de eerdere uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.