ECLI:NL:CRVB:2010:BN2808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld op grond van Ziektewet na maximale uitkeringstermijn en ongeschiktheid
Betrokkene was sinds 1 augustus 2003 werkzaam als medewerker hoveniersbedrijf en viel op 15 september 2003 uit wegens rugklachten. Na een periode van re-integratie en een geweigerde WAO-uitkering stelde betrokkene zich per 1 augustus 2005 beschikbaar voor aangepast werk, maar de werkgever liet dit niet toe. De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot loonbetaling tot 11 oktober 2005, waarna betrokkene ongeschikt werd geacht voor passend werk.
Op 25 oktober 2005 vroeg betrokkene ziekengeld aan in verband met een knieoperatie, maar dit werd geweigerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op grond van artikel 29, tweede en vijfde lid, van de Ziektewet (ZW). De rechtbank verklaarde de weigering onterecht en stelde betrokkene gelijk aan een werknemer van wie de dienstbetrekking was geëindigd, waardoor aanspraak op ziekengeld zou bestaan.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de dienstbetrekking op 11 oktober 2005 nog bestond en dat gelijkstelling met een beëindigde dienstbetrekking niet strookt met de wet. De Raad benadrukte dat het tweede lid van artikel 29 ZW Pro limitatief is en dat buiten de genoemde gevallen geen aanspraak op ziekengeld bestaat. Ook het vijfde lid biedt geen zelfstandige aanspraak als het tweede lid niet van toepassing is.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee de weigering van ziekengeld in stand bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de weigering van ziekengeld.