ECLI:NL:CRVB:2010:BN3309
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en bezit onroerend goed
Appellant ontving vanaf 25 mei 1998 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na ontvangst van anonieme meldingen in 2003 over het bezit van een woning in Spanje met een waarde van €177.300, startte de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een onderzoek. Dit leidde tot het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam om de bijstand met ingang van 22 oktober 1998 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode tot 1 november 2006 terug te vorderen.
Appellant had nagelaten het bezit van het onroerend goed te melden, waarmee hij zijn wettelijke inlichtingenverplichting schond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het College niet onredelijk lang had gewacht met het instellen van het onderzoek en het nemen van het terugvorderingsbesluit.
In hoger beroep betoogde appellant dat het College onzorgvuldig had gehandeld door pas in maart 2005 een onderzoek te starten, ruim anderhalf jaar na de eerste melding. De Raad stelde echter vast dat de zorgvuldigheidsnorm uit eerdere jurisprudentie niet van toepassing is omdat appellant niet in onzekerheid verkeerde over zijn rechtspositie. Gezien de ernstige schending van de inlichtingenplicht en het feit dat het College pas na ontvangst van een taxatierapport in 2006 definitief kon vaststellen dat sprake was van fraude, oordeelde de Raad dat het College in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot terugvordering.
De Raad bevestigde daarmee het besluit tot terugvordering en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van bijstand wordt bevestigd.