ECLI:NL:CRVB:2010:BN3958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid per 7 april 2008
Appellant vroeg een WW-uitkering aan met ingang van 7 april 2008, maar deed de aanvraag feitelijk pas op 15 mei 2008. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant niet beschikbaar was voor arbeid per 7 april 2008, een vereiste volgens artikel 16 van Pro de WW. Appellant voerde aan dat hij tot 15 mei 2008 ziek was vanwege het overlijden van zijn broer en dat hij wel beschikbaar was per 7 april 2008.
De rechtbank oordeelde dat het tweede besluit van het UWV een nieuw primair besluit was en verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond, maar het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het tweede besluit niet op een ander feitencomplex was gebaseerd en dat hij wel beschikbaar was per 7 april 2008.
De Raad stelde vast dat het beroep tegen het eerste besluit mede gericht was tegen het tweede besluit en vernietigde de aangevallen uitspraak. De Raad handhaafde het standpunt dat appellant niet beschikbaar was per 7 april 2008 en verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WW-uitkering per 7 april 2008 wegens niet-beschikbaarheid voor arbeid.