ECLI:NL:CRVB:2010:BN5198
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van toepassing artikel 44 WAO bij herziening WAO-uitkering ondanks beroep appellant
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het Uwv waarbij zijn WAO-uitkering werd herzien met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO, omdat zijn inkomsten als raadslid invloed hadden op de hoogte van zijn uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat zijn inkomsten van invloed konden zijn.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat het hem niet duidelijk was dat de inkomsten van invloed konden zijn en dat hij deze inkomsten had gemeld via een formulier. De Raad overwoog dat de hoogte van de inkomsten niet in geschil was en dat het Uwv op juiste wijze de fictieve arbeidsongeschiktheid had berekend.
De Raad stelde dat het Uwv gehouden is artikel 44 toe Pro te passen indien aan de voorwaarden is voldaan, ook al kan dit onder omstandigheden botsen met rechtszekerheid of andere ongeschreven rechtsbeginselen. De Raad vond dat het buitenwettelijke beleid van het Uwv consistent was toegepast en dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat zijn verdiensten invloed hadden op zijn uitkering.
Er was geen sprake van een schriftelijke, uitdrukkelijke toezegging of gerechtvaardigde verwachtingen die toepassing van artikel 44 in Pro de weg stonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.