ECLI:NL:CRVB:2010:BN5794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Herroeping Ziektewet-uitkering wegens ontbreken rechtmatige verblijfsvergunning
Appellant, van Turkse nationaliteit, was werkzaam bij een werkgever en viel uit wegens rugklachten. Hij werd ontslagen omdat hij niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning. Appellant vroeg een Ziektewet-uitkering en later een WIA-uitkering aan, die aanvankelijk werden toegekend maar later door het UWV werden ingetrokken vanwege het ontbreken van een rechtmatige verblijfsvergunning.
De rechtbank oordeelde deels in het voordeel van appellant door een besluit te vernietigen wegens inconsistente besluitvorming, maar liet de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. De Raad herzag dit en oordeelde dat appellant op 1 maart 2007 terecht niet als werknemer in de zin van de Ziektewet werd aangemerkt, waardoor hij niet verzekerd was voor de Ziektewet en de WIA.
De Raad stelde vast dat appellant niet in het bezit was van een tewerkstellingsvergunning en dat arbeid niet was toegestaan. Het UWV mocht daarom het besluit tot toekenning van de Ziektewet-uitkering herroepen. Er was geen strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, mede omdat het UWV de onverschuldigd betaalde uitkering niet terugvorderde. Het hoger beroep tegen de vernietiging van het besluit werd gegrond verklaard, het besluit herroepen en de overige uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het besluit tot toekenning van de Ziektewet-uitkering per 1 maart 2007 wordt herroepen omdat appellant niet als werknemer in de zin van de Ziektewet wordt aangemerkt.