ECLI:NL:CRVB:2010:BO1231
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens gezamenlijke huishouding met partner
Betrokkene vroeg bijstand aan naar de norm voor een alleenstaande, maar de gemeente wees dit af omdat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met [O]. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing gegrond en gaf appellant opdracht een nieuwe beslissing te nemen. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat betrokkene en [O] gedurende de beoordelingsperiode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en blijk gaven van wederzijdse zorg, wat duidt op een gezamenlijke huishouding.
De Raad wijst het standpunt van betrokkene af dat zij had moeten worden gewezen op het belang van het overleggen van een zakelijke overeenkomst. De feitelijke woon- en leefsituatie diende door appellant te worden onderzocht, waarna betrokkene de zakelijke basis had moeten onderbouwen, wat niet is gelukt in de relevante periode.
De Raad volgt de rechtbank niet in de overweging dat de aanwezigheid van de meerderjarige dochter van betrokkene in hetzelfde huishouden ertoe leidt dat betrokkene als alleenstaande moet worden aangemerkt. De wet sluit gezamenlijke huishouding tussen ouder en meerderjarig kind uit bij de beoordeling van de bijstandsnorm.
Uiteindelijk vernietigt de Raad de eerdere uitspraak en verklaart het beroep tegen het besluit van 12 februari 2008 ongegrond. Het besluit van 24 juni 2008 wordt eveneens vernietigd omdat het op een verkeerde grondslag is gebaseerd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de bijstand als alleenstaande wordt ongegrond verklaard en het besluit vernietigd.