ECLI:NL:CRVB:2010:BO1367
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overneming proceskosten en loonvorderingen bij betalingsonmacht werkgever
Appellant was sinds oktober 2005 in dienst bij een werkgever die betalingsonmacht vertoonde. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst en toekenning van een vergoeding, vroeg appellant het UWV om overneming van betalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht. Het UWV kende een uitkering toe voor loon en vakantietoeslag. Later verzocht appellant ook om vergoeding van kosten van faillissementsprocedure, loonvorderingsprocedures, wettelijke rente en verhoging. Het UWV wees deze verzoeken af, waarop appellant bezwaar maakte.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond voor zover het ging om proceskosten van de loonvorderingsprocedure bij de kantonrechter, waarna het UWV deze kosten overnam. Appellant ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat ook de daadwerkelijke kosten en andere kosten moesten worden overgenomen. De Raad oordeelde dat wettelijke rente en wettelijke verhoging niet tot het loonbegrip van de WW behoren en dat kosten van de loonvordering bij het gerechtshof en faillissementsprocedure niet voor overneming in aanmerking komen.
De Raad benadrukte dat alleen de proceskosten die de werkgever op grond van het vonnis aan appellant moest betalen, worden overgenomen, niet de daadwerkelijk gemaakte kosten. Ook wees de Raad het beroep af op basis van een brochure die volgens appellant een recht op volledige vergoeding van advocaatkosten zou geven. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt bevestigd.