ECLI:NL:CRVB:2010:BO1594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering wegens onjuiste verrekening inkomsten zelfstandige
Appellant ontving een WW-uitkering en kreeg toestemming van het UWV om gedurende een half jaar werkzaamheden als zelfstandige te verrichten. Het UWV bracht 70% van de inkomsten uit deze werkzaamheden in mindering op de uitkering, maar appellant ontving een te hoog voorschot. Het UWV vorderde daarom een bedrag terug.
Appellant stelde dat hij onvoldoende was geïnformeerd over de wijze van verrekening en dat hij dacht dat alleen de inkomsten van het eerste halfjaar in mindering zouden worden gebracht. De Raad oordeelde dat uit het besluit van het UWV, de gesprekken met de re-integratiecoach en de publicatie van het Besluit op 28 juni 2006 duidelijk bleek dat de inkomsten over een periode van 52 weken worden verdeeld en naar rato worden verrekend.
Omdat appellant een re-integratiebureau had opgezet, mocht worden verwacht dat hij bekend was met de relevante wet- en regelgeving. Het UWV had geen onrechtmatig vertrouwen gewekt. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het te hoog ontvangen voorschot op de WW-uitkering.