ECLI:NL:CRVB:2010:BO1621
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens andere ziekteoorzaak
Appellante verzocht om een WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar het UWV wees dit af omdat de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan waarvoor zij eerder arbeidsongeschikt werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het UWV afdoende aannemelijk had gemaakt dat er geen oorzakelijk verband bestond tussen de eerdere en latere arbeidsongeschiktheid. Appellante stelde in hoger beroep dat het criterium 'afdoende aannemelijk' niet voldeed aan de jurisprudentie die vereist dat het UWV 'buiten enige twijfel' moet aantonen dat er sprake is van een andere ziekteoorzaak.
De Raad bevestigde dat de bewijslast bij het UWV ligt om het ontbreken van een oorzakelijk verband aan te tonen. Gezien de medische rapportages en het ontbreken van nieuwe medische gegevens van appellante, concludeerde de Raad dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid inderdaad voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan de oorspronkelijke, en bevestigde het besluit van de rechtbank.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 oktober 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid een andere ziekteoorzaak heeft.