ECLI:NL:CRVB:2010:BO2774
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens voortzetting vennootschap onder firma
Appellant en een compagnon richtten in mei 2002 een vennootschap onder firma (v.o.f.) op. Appellant vroeg op 11 juni 2007 algemene bijstand aan met de mededeling dat hij per 1 juni 2007 was gestopt met zijn onderneming. Het Dagelijks Bestuur wees de aanvraag af omdat appellant nog steeds zakelijke banden met de v.o.f. zou hebben, ondanks uitschrijving uit het handelsregister.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij geen vennoot meer was sinds 1 juni 2007 en overhandigde een beëindigingsovereenkomst van de v.o.f. uit mei 2007. De Raad oordeelde echter dat deze overeenkomst onvoldoende bewijs leverde dat appellant per 1 juni 2007 geen zakelijke banden meer had met de v.o.f., mede omdat appellant zelf verklaarde nog dagelijks in de onderneming aanwezig te zijn.
De Raad stelde vast dat het besluit van 12 oktober 2007 onbevoegd was genomen door de voorzitter van het Dagelijks Bestuur, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven. De Raad veroordeelde het Dagelijks Bestuur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.