ECLI:NL:CRVB:2010:BO3522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen bijstand volgens de norm voor gehuwden. Het College van burgemeester en wethouders van Utrecht herzag de bijstand over de periode januari tot en met oktober 2006 en vorderde €14.303,26 terug wegens het niet melden van op geld waardeerbare activiteiten als bemiddelaar voor een reisbureau.
De rechtbank oordeelde dat appellanten de inlichtingenverplichting hadden geschonden door deze inkomsten niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellanten slaagden er niet in aan te tonen dat zij geen inkomsten genoten. De rechtbank vond de verklaringen van appellant over bankafschriften ongeloofwaardig en concludeerde dat de omvang van de activiteiten niet met zekerheid kon worden vastgesteld door het ontbreken van een deugdelijke administratie.
In hoger beroep bevestigt de Raad deze beoordeling. De periode van terugvordering is niet willekeurig gekozen, gezien kasstortingen en betalingen aan het reisbureau in die periode. De Raad vindt dat het College in redelijkheid tot terugvordering over de gehele periode kon besluiten. Het hoger beroep wordt dan ook ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.