ECLI:NL:CRVB:2010:BO3574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering onterecht wegens ontbreken redelijke grond voor huisbezoek
Appellante ontving sinds 2001 bijstand als alleenstaande ouder. Na de erkenning van haar vierde kind door haar voormalige echtgenoot ontstond bij het College het vermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde, wat aanleiding gaf tot een verzoek voor een huisbezoek. Appellante weigerde dit huisbezoek na overleg met haar advocaat.
Het College trok daarop de bijstand per 14 augustus 2007 in en verklaarde het bezwaar ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat de beoordeling zich beperkt tot de periode van 14 tot 20 augustus 2007. Volgens de WWB moet een belanghebbende medewerking verlenen aan onderzoek, maar alleen indien er een redelijke grond bestaat voor het huisbezoek.
De Raad stelt vast dat de enkele erkenning van het kind door de voormalige echtgenoot geen redelijke grond vormt voor het huisbezoek. Ook eerdere huwelijkse staat en gezamenlijke huishouding in het verleden rechtvaardigen dit niet. Het College had minder ingrijpende middelen moeten overwegen. Daarom is appellante niet te verwijten dat zij medewerking weigerde.
Het College heeft daarmee de inlichtingenverplichting niet geschonden en was niet bevoegd de bijstand in te trekken. De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het intrekkingsbesluit. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en het besluit herroepen wegens ontbreken van redelijke grond voor het huisbezoek.