ECLI:NL:CRVB:2010:BO4166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling eerste werkloosheidsdag en fictieve opzegtermijn bij beëindiging met wederzijds goedvinden
Appellante was sinds 1 augustus 2002 in dienst bij een stichting en is op 1 april 2009 uit dienst getreden op basis van een vaststellingsovereenkomst van 19 februari 2009. Zij vroeg op 5 maart 2009 een WW-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit van 15 april 2009 vast dat zij tot en met 30 april 2009 geen recht had op WW vanwege de opzegtermijn en de vergoeding die zij ontving. Vanaf 1 mei 2009 werd zij wel in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het UWV verklaarde deze ongegrond. De rechtbank Breda verklaarde het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond, waarbij werd overwogen dat de schriftelijke beëindigingsovereenkomst van 19 februari 2009 leidend was voor de opzegtermijn.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de opzegtermijn met een maand moest worden bekort op grond van artikel 7:672 lid 4 BW Pro en dat de beëindigingsovereenkomst eerder dan 19 februari 2009 was gesloten. De Raad oordeelde dat de fictieve opzegtermijn volgens artikel 16 WW Pro niet met een maand mag worden bekort bij beëindiging met wederzijds goedvinden en dat alleen de datum van schriftelijke overeenkomst bepalend is, niet de datum van wilsovereenstemming.
De Raad bevestigde dat de eerste werkloosheidsdag terecht op 1 mei 2009 is vastgesteld en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste werkloosheidsdag op 1 mei 2009 juist is vastgesteld en dat de fictieve opzegtermijn niet met een maand mag worden bekort bij beëindiging met wederzijds goedvinden.