ECLI:NL:CRVB:2010:BO4364
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning bijstand en verjaring invordering openstaande schuld
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met een aanvraag op 21 oktober 2008. Het College weigerde aanvankelijk de aanvraag te behandelen, maar kende later bijstand toe met ingang van 19 januari 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, waarna het College alsnog bijstand toekende over de periode van 18 oktober 2008 tot en met 18 januari 2009.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij zich reeds in augustus 2008 had gemeld en daarom recht had op bijstand vanaf 1 september 2008. De Raad stelde vast dat appellant dit niet aannemelijk had gemaakt en dat er geen grond was om eerder recht op bijstand toe te kennen. Tevens betwistte appellant de verrekening van de nabetaling met een openstaande schuld, stellende dat invordering niet meer mogelijk was vanwege verjaring.
De Raad oordeelde dat het beroep op verjaring faalde omdat het College meerdere stuitingshandelingen had verricht door aanmaningen te sturen, waardoor een nieuwe verjaringstermijn begon te lopen. Het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 24 februari 2010 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de uitspraak is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit tot bijstand is ongegrond verklaard.