ECLI:NL:CRVB:2010:BO5969
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstands- en WWIK-uitkeringen wegens schending inlichtingenplicht en handel in kachels
Appellante ontving vanaf 2003 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars, later omgezet in een WWIK-uitkering. Na beëindiging hiervan ontving zij bijstand van de gemeente Hardenberg. Een onderzoek van de sociale recherche wees uit dat appellant samen met een derde handelde in kachels zonder dit te melden, en geen deugdelijke administratie bijhield. Hierdoor kon het recht op bijstand en WWIK-uitkering niet worden vastgesteld.
De Colleges van de gemeenten Hardenberg en Zwolle troffen besluiten tot intrekking van de uitkeringen en vorderden de onterecht ontvangen bedragen terug. De rechtbank wees de beroepen tegen deze besluiten af. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant op geld waardeerbare activiteiten verrichtte, geen vriendendienst verleende en de inlichtingenplicht had geschonden.
De Raad oordeelde dat de intrekkingen en terugvorderingen terecht waren, dat geen dringende redenen bestonden om hiervan af te zien, en dat appellanten hoofdelijk aansprakelijk waren voor de terugbetaling. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstands- en WWIK-uitkeringen en de terugvordering van de onterecht ontvangen bedragen worden bevestigd.