ECLI:NL:CRVB:2010:BO6178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis en verblijfseisen
Appellant, van Kaapverdische nationaliteit, werkte sinds 2000 op een Nederlands zeeschip. Na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst in januari 2008, verbleef hij buiten Nederland tot 16 mei 2008, waarna hij in vreemdelingenbewaring werd gesteld tot 19 juni 2008. Hij vroeg op 24 juli 2008 een WW-uitkering aan.
Het UWV wees de aanvraag af omdat de eerste werkloosheidsdag volgens hen op 31 juli 2008 moest worden gesteld, de dag waarop appellant rechtmatig in Nederland verbleef. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarop appellant hoger beroep instelde met het argument dat de eerste werkloosheidsdag op 1 april 2008 moest worden gesteld en de wekeneis ruimhartig moest worden toegepast vanwege zijn bijzondere omstandigheden.
De Raad oordeelt dat op grond van de relevante WW-artikelen en de Vreemdelingenwet 2000 de eerste werkloosheidsdag terecht op 31 juli 2008 is vastgesteld. Appellant voldeed op die dag niet aan de wekeneis van 26 gewerkte weken in de voorafgaande 36 weken. De omstandigheden van appellant, waaronder zijn vreemdelingenbewaring, leiden niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WW-uitkering omdat appellant niet voldoet aan de wekeneis en niet rechtmatig in Nederland verbleef op de eerste werkloosheidsdag.