ECLI:NL:CRVB:2010:BO6297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op vrijstelling uren zelfstandige bij WW-uitkering na arbeidsurenverlies
Appellante was vanaf december 2000 werkzaam als manager bij de Rabobank en werd vanaf 1 september 2006 vrijgesteld van werkzaamheden. Op 1 januari 2007 startte zij een eigen bedrijf, terwijl haar dienstverband met de Rabobank op 1 september 2007 werd ontbonden. Het Uwv kende haar een WW-uitkering toe vanaf 1 oktober 2007, gebaseerd op een verlies van 24 arbeidsuren per week.
Appellante gaf aan dat zij in de periode van 27 februari 2006 tot 27 augustus 2006 geen zelfstandige werkzaamheden had verricht. Het Uwv weigerde vrijstelling van uren voor haar zelfstandige activiteiten, omdat zij in de 26 weken voorafgaand aan het arbeidsurenverlies geen zelfstandige werkzaamheden had verricht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat de periode van non-activiteit langer was vanwege een afspraak met de Rabobank. De Raad oordeelde dat het arbeidsurenverlies feitelijk was ingetreden op 1 september 2006 en dat appellante in de voorafgaande 26 weken geen zelfstandige werkzaamheden verrichtte. Het Uwv handelde conform het buitenwettelijk beleid dat voorkomt dat zelfstandige uren die niet voorafgaand aan het arbeidsverlies werden verricht, vrijgesteld worden. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv om geen vrijstelling te geven voor zelfstandige uren wordt bevestigd.