ECLI:NL:CRVB:2010:BO7676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 2002 bijstand als alleenstaande ouder. Na een melding over de geboorte van een tweede kind startte het College een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit dossieronderzoek, huisbezoek en gesprekken bleek dat appellante en de heer D. een gezamenlijke huishouding voerden, wat betekende dat appellante niet langer als alleenstaande ouder kon worden beschouwd.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat onvoldoende feitelijke onderbouwing bestond voor het standpunt van het College. De Raad stelde vast dat het College de intrekking niet had beperkt tot een bepaalde periode en beoordeelde de periode van 12 februari tot 7 mei 2008.
De Raad hanteerde objectieve criteria voor gezamenlijke huishouding, waaronder hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg. Uit verklaringen en feiten bleek voldoende mate van zorg en financiële verstrengeling. De door appellante overgelegde huurovereenkomst werd niet als bewijs erkend. Het College had ook geen onzorgvuldig onderzoek verricht.
De Raad oordeelde dat appellante als gehuwd moest worden aangemerkt en daarom geen recht meer had op bijstand als alleenstaande ouder. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.