ECLI:NL:CRVB:2010:BO9536
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens ontbreken woonplaats in gemeente Leidschendam-Voorburg
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds 1 oktober 2006. Het College van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg stelde een onderzoek in naar het recht op bijstand na een extreem laag waterverbruik op het opgegeven woonadres van appellante. Dit leidde tot een besluit van 13 juli 2007 tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 maart 1999, omdat appellante geen woonplaats in de gemeente zou hebben.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij vanwege haar psychische gesteldheid minder in haar woning verbleef, maar wel woonachtig bleef op het opgegeven adres. De Raad oordeelde dat het lage waterverbruik, de verklaringen van appellante en getuigen bevestigden dat zij feitelijk niet woonde op het opgegeven adres, maar merendeels verbleef op een camping en bij haar broer.
De Raad vernietigde het besluit van 17 januari 2008, waarin het bezwaar tegen de intrekking was afgewezen, omdat het College de grondslag voor intrekking wijzigde. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand, omdat appellante haar inlichtingenverplichting schond en ten onrechte bijstand ontving. Het College werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd, met instandhouding van de rechtsgevolgen.