ECLI:NL:CRVB:2010:BO9659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen gelijkstelling Marokkaanse vergoeding met Nederlandse partneralimentatie voor nabestaandenuitkering
Appellante was gehuwd in Marokko met een man die zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit bezat. Na hun echtscheiding en de geboorte van hun zoon, werd door een Marokkaanse rechtbank een maandelijkse vergoeding toegekend aan appellante, bestaande uit een kinderalimentatie en een vergoeding voor de verzorging van het kind ('rémunération de sa garde'). Na het overlijden van haar ex-echtgenoot vroeg appellante een nabestaandenuitkering aan bij de Sociale verzekeringsbank (Svb).
De Svb kende aanvankelijk een nabestaandenuitkering toe, maar trok deze later in omdat de vergoeding volgens hen niet gelijkgesteld kon worden met partneralimentatie zoals bedoeld in de Algemene nabestaandenwet (ANW). De rechtbank onderschreef dit standpunt. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat de vergoeding wel degelijk gelijkgesteld moest worden met partneralimentatie en dat de intrekking in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Raad overwoog dat de Marokkaanse vergoeding weliswaar enige overeenkomst vertoont met partneralimentatie, maar fundamenteel verschilt omdat het Marokkaanse recht geen partneralimentatie kent en de vergoeding primair een vergoeding is voor de verzorging van het kind, niet voor levensonderhoud van de ex-partner. Daarom is er onvoldoende grond voor gelijkstelling. De intrekking van de uitkering per 1 maart 2008 was gerechtvaardigd en het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.