Uitspraak
(hierna: aangevallen uitspraak 1) en 09/1918 (aangevallen uitspraak 2),
Centrale Raad van Beroep
Appellante stelde hoger beroep in tegen twee uitspraken van de rechtbank Amsterdam waarin de loonsanctie en de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheid werden bevestigd. Het Uwv had de loonsanctie opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever en de behandeling van de WIA-aanvraag opgeschort. De rechtbank had geoordeeld dat appellante medisch belastbaar was en benutbare mogelijkheden tot arbeid had.
In hoger beroep voerde appellante onder meer aan dat de rechtbank Alkmaar niet bevoegd was, dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat de loonsanctie onterecht was opgelegd. De Raad verwierp deze gronden, bevestigde het oordeel over de benutbare mogelijkheden tot arbeid en stelde dat de loonsanctie terecht was opgelegd. Ook de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de re-integratievisie werden als deugdelijk beoordeeld.
Appellante stelde dat haar eigendomsrecht werd geschonden door de opschorting van de WIA-aanvraag en dat het proces niet eerlijk was volgens artikel 6 EVRM Pro. De Raad oordeelde dat er geen sprake was van ontneming van eigendom en dat aan de eisen van een eerlijk proces was voldaan. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraken en wees de verzoeken om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De loonsanctie en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid worden bevestigd, het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt verworpen.