ECLI:NL:CRVB:2011:BP0703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na reorganisatie en ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds 1988 in dienst bij een werkgever en werkte als teamleider service management in het VU-ziekenhuis. Door een reorganisatie verviel zijn functie per 1 september 2003, waarna hij als herplaatsingskandidaat werd aangemerkt. De werkgever heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens het ontbreken van een passende functie, mede door de opstelling van appellant.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze vanwege verwijtbare werkloosheid. Het bezwaar werd eerst ongegrond verklaard, maar een eerdere uitspraak verklaarde het beroep gegrond. Daarna handhaafde het UWV de weigering opnieuw. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden.
In hoger beroep stelde appellant dat de werkgever hem niet wilde herplaatsen en dat de kantonrechter oordeelde dat hem geen verwijt treft. Het UWV stelde dat zij ruim voldoende inspanningen had geleverd om appellant te herplaatsen, inclusief het aanbieden van passende functies en een loopbaantraject, maar dat appellant onvoldoende meewerkte.
De Raad oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich niet voldoende inspande, onrealistische eisen stelde en daardoor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst mede veroorzaakte. De kantonrechter had geen oordeel gegeven over verwijtbaarheid in de zin van de WW. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en wijst het beroep af.