ECLI:NL:CRVB:2011:BP0866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WW-uitkering wegens verblijf buitenland zonder melding
Appellant ontving vanaf 1 februari 2006 een WW-uitkering. Het UWV ontdekte dat appellant sinds 19 juli 2006 buiten Nederland verbleef zonder dit te melden, wat een overtreding van de inlichtingenplicht inhoudt. Op basis van een inspectierapport en aanvullende gegevens trok het UWV de uitkering in en vorderde onverschuldigde betalingen terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd van zijn verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV aannemelijk had gemaakt dat appellant inderdaad buiten Nederland verbleef en niet binnen zes maanden terugkeerde.
De Raad verwierp het beroep van appellant en bevestigde het bestreden besluit. Tevens werd geoordeeld dat appellant de inlichtingenplicht had overtreden door zijn verblijf niet te melden, waardoor het recht op WW-uitkering met ingang van 19 juli 2006 was vervallen. Een beroep op artikel 69 van Pro EG-Verordening 1408/71 slaagde niet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen worden bevestigd omdat appellant zijn verblijf buiten Nederland niet heeft gemeld.