ECLI:NL:CRVB:2011:BP1019
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in garagebedrijf
Appellanten ontvingen bijstand vanaf 1999. Naar aanleiding van anonieme tips en een controle in het garagebedrijf van hun zoon, waar appellant werkzaam was, startte de sociale recherche een onderzoek. Uit dit onderzoek bleek dat appellant van mei 2005 tot april 2008 op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden aan het College, wat een schending van de wettelijke inlichtingenverplichting opleverde.
Het College trok de bijstand met ingang van september 2008 in en vorderde de bijstandskosten over de periode 2003-2008 terug. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit deels gegrond en vernietigde de terugvordering voor bepaalde perioden. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij geen werkzaamheden hadden verricht die de inlichtingenplicht schonden en dat de verklaring van appellant onrechtmatig was verkregen.
De Raad oordeelde dat appellant wel degelijk werkzaamheden verrichtte die op geld waardeerbaar waren en dat de verklaring rechtmatig was verkregen. Ook stelde de Raad vast dat de omvang van de werkzaamheden niet in verhouding stond tot de leer/werkplaatsovereenkomst na april 2008. Omdat appellanten geen nadere informatie verstrekten over de werkzaamheden en vergoedingen, kon niet worden vastgesteld of zij recht hadden op bijstand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van het College bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.