ECLI:NL:CRVB:2011:BP3562

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3464 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 118a Zvw
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep CAK tegen afwijzing compensatie eigen risico 2008 niet-ontvankelijk verklaard

Betrokkene diende eind 2008 een aanvraag in bij CAK voor compensatie van het eigen risico over 2008. CAK wees deze aanvraag op 15 januari 2009 af en verklaarde het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit op 18 februari 2009 ongegrond. De rechtbank Arnhem vernietigde dit besluit echter wegens strijd met artikel 3:2 Awb Pro, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand omdat betrokkene volgens gegevens van Vektis niet aan de voorwaarden voldeed.

CAK stelde in hoger beroep dat het niet onzorgvuldig had gehandeld en dat het uit moest gaan van de door Vektis aangeleverde gegevens. De Raad stelde vast dat het hoger beroep van CAK zich richtte tegen de vernietiging van het besluit, maar niet tegen de handhaving van de rechtsgevolgen daarvan.

De Raad oordeelde dat CAK onvoldoende procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat het resultaat dat CAK nastreefde niet bereikt kon worden en dus geen feitelijke betekenis had. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en legde een griffierecht van €448 op aan CAK.

Uitkomst: Het hoger beroep van CAK wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

10/3464 ZVW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
CAK B.V. (hierna: CAK)
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 mei 2010, 09/1403 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
CAK
Datum uitspraak: 26 januari 2011
I. PROCESVERLOOP
CAK heeft hoger beroep ingesteld.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15 december 2010. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene heeft eind 2008 bij CAK een aanvraag ingediend om compensatie van het eigen risico voor het jaar 2008, als bedoeld in artikel 118a van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
1.2. CAK heeft bij besluit van 15 januari 2009 de aanvraag van betrokkene afgewezen. CAK heeft daartoe overwogen dat betrokkene niet voldoet aan de ingevolge de Zvw geldende voorwaarden om de compensatie eigen risico te ontvangen.
1.3. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft CAK het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 januari 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 18 februari 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft overwogen dat CAK het besluit van 18 februari 2009 in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig heeft voorbereid. Zij heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten op de grond dat uit de door CAK hangende beroep bij Vektis opgevraagde gegevens blijkt dat betrokkene in 2006 terecht niet is ingedeeld in een farmaceutische kostengroep (FKG), waardoor zij niet aan de voorwaarden voldoet.
3. CAK heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. CAK stelt zich op het standpunt dat het niet heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb. Er is geen sprake van strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb omdat CAK dient uit te gaan van de door Vektis aangeleverde gegevens. Hangende het beroep is Vektis volledigheidshalve nogmaals benaderd. Uit de in beroep bij Vektis opgevraagde gegevens blijkt dat aan betrokkene door de apotheek in 2006 niet meer dan 180 DDD van een werkzame stof zijn afgeleverd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van CAK zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb. De Raad stelt tevens vast dat de rechtbank op grond van een inhoudelijke beoordeling van het geschil heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 18 februari 2009 in stand blijven.
4.2. De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of CAK voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Uit vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraken van 31 augustus 2006, LJN AY8271 en 9 juni 2009, LJN BJ0878, vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.3. De Raad is van oordeel dat CAK onvoldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak nu de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde, tussen partijen bij de rechtbank in geschil zijnde, besluit geheel in stand blijven en het hoger beroep van CAK zich niet richt tegen die bepaling en de gronden waarop deze berust. CAK kan met zijn hoger beroep derhalve geen resultaat bereiken dat voor hem feitelijk betekenis kan hebben.
4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep van CAK niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding CAK te veroordelen in de proceskosten van betrokkene, nu van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat van CAK een griffierecht van € 448,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2011.
(get.) J.J.A. Kooijman.
(get.) R. Scheffer.
IJ