Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BP3978

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/2165 WWB-W + 10/2166 NIOAW-W + 10/2167 WWB-W + 10/2169 NIOAW-W + 10/5009 NIOAW-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 8:18 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om wraking van behandelend rechter niet in behandeling genomen door Centrale Raad van Beroep

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Zutphen en vervolgens een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter van de Centrale Raad van Beroep. Dit verzoek werd eerder afgewezen met de mededeling dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen tenzij nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd.

Verzoeker diende een tweede wrakingsverzoek in, stellende dat de rechter te laat met zijn werkzaamheden was begonnen, wat volgens hem een nieuwe omstandigheid zou zijn. De Raad heeft overwogen dat deze omstandigheid niet kwalificeert als een nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:16, vierde lid, van de Awb.

De Raad benadrukte dat de beslissing over het eerdere wrakingsverzoek niet ter beoordeling staat in deze procedure. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten wordt het tweede wrakingsverzoek niet in behandeling genomen. De beslissing is uitgesproken door de voorzitter en leden van de Raad in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter wordt niet in behandeling genomen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

10/2165 WWB-W
10/2166 NIOAW-W
10/2167 WWB-W
10/2169 NIOAW-W
10/5009 NIOAW-W
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
B E S L I S S I N G
op het verzoek op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, ingediend door:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker)
Datum beslissing: 10 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Zutphen van 3 maart 2010, 09/665, 09/663, 08/2173 en 08/2232.
Voor de aanvang van het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad op 2 november 2010 heeft verzoeker bij brief van 28 oktober 2010 in de hiervoor bedoelde hoger beroepszaken met registratienummers 10/2165 WWB, 10/2166 NIOAW, 10/2167 WWB, 10/2169 NIOAW en 10/5009 NIOAW verzocht om wraking van mr. J.J.A. Kooijman (hierna: behandelend rechter). Bij beslissing van 25 november 2010 is het verzoek om wraking afgewezen, waarbij is aangegeven dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen, tenzij feiten en omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. Vervolgens is aan verzoeker meegedeeld dat het onderzoek wordt voortgezet ter zitting van 24 januari 2011.
Bij brief van 20 januari 2011 heeft verzoeker de Raad opnieuw verzocht om wraking van de behandelend rechter.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn ingevolge artikel 8:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad van 1 februari 2011, van welke gelegenheid verzoeker en de behandelend rechter geen gebruik hebben gemaakt.
II. OVERWEGINGEN
In artikel 8:15 van Pro de Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
In artikel 8:16, vierde lid, van de Awb is bepaald dat een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift van 20 januari 2011 vermeld dat hiervan sprake is en heeft met betrekking tot de behandelend rechter aangevoerd dat deze na de uitnodiging voor de zittingen veel te laat met zijn werkzaamheden in onderhavige zaken is begonnen, zodat al duidelijk is dat ook het vorige verzoek om wraking ten onrechte is afgekeurd. De Raad is van oordeel dat het met betrekking tot de behandelend rechter aangevoerde niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:16, vierde lid, van de Awb. Ook van hetgeen verder is aangevoerd kan niet worden gezegd dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden sinds het eerdere verzoek om wraking van de behandelend rechter.
De Raad merkt nog op dat in de onderhavige wrakingsprocedure de beslissing ten aanzien van het vorige wrakingsverzoek niet ter beoordeling staat.
Gelet op het voorgaande zal dit wrakingsverzoek niet in behandeling worden genomen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Neemt het verzoek om wraking niet in behandeling.
Deze beslissing is gegeven door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2011.
(get.) C. van Viegen.
(get.) R.L.G. Boot.
IJ