ECLI:NL:CRVB:2011:BP9808
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en woonplaats buiten gemeente
Appellante ontving bijstand vanaf 1997, maar het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde na onderzoek vast dat zij in de periode van 1 juli 1997 tot 17 maart 1999 een gezamenlijke huishouding voerde en in de periode van 24 juli 2001 tot 17 februari 2005 niet woonachtig was in de gemeente. Hierdoor werd de bijstand over deze perioden ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voerde en dat zij woonplaats had buiten de gemeente. Dit leidde ertoe dat zij ten onrechte bijstand ontving. De onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van omwonenden en getuigen, boden voldoende grondslag voor het standpunt van het College.
Appellante bestreed niet de wijze waarop het College gebruikmaakte van haar bevoegdheid tot intrekking en terugvordering. De Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en woonplaats buiten de gemeente.