ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in sociale zekerheidsprocedure
Betrokkene heeft een procedure gevoerd tegen de Staat en het UWV wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bezwaar- en beroepsprocedure over een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De behandeling heeft ruim acht jaar geduurd, waarbij zowel de bestuurlijke als rechterlijke fase aanzienlijke vertragingen kende.
De Raad stelde vast dat de redelijke termijn met ruim vier jaar werd overschreden. De overschrijding in de rechterlijke fase werd deels aan de Staat toegerekend, terwijl de overige overschrijding aan het UWV werd toegerekend. De Raad bepaalde dat een vergoeding van €500 per half jaar passend is, wat resulteerde in een totaal van €4.500 aan immateriële schadevergoeding.
De Staat erkende een overschrijding van ruim vier jaar en stelde een vergoeding van €1.000 redelijk, terwijl het UWV instemde met de jurisprudentie omtrent de hoogte van de vergoeding. Betrokkene stemde in met deze verdeling en verzocht tevens om een proceskostenvergoeding.
De Raad veroordeelde de Staat tot betaling van €1.000 en het UWV tot betaling van €3.500 aan betrokkene, en beide partijen tot betaling van de helft van de proceskosten van €218,50. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 april 2011.
Uitkomst: De Staat en het UWV worden veroordeeld tot betaling van respectievelijk €1.000 en €3.500 schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.