ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Appellante, een werkgever, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een zieke werknemer. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsperiode met 52 weken op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in verbinding met artikel 65 van Pro die wet. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. Vervolgens stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het beoordelingskader van het UWV, zoals neergelegd in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter, niet in strijd is met de Wet WIA. De werkgever had ten onrechte aangenomen dat de werknemer geen duurzaam benutbare mogelijkheden had en dat het einddoel van re-integratie moest worden bijgesteld naar werkhervatting bij een andere werkgever. Uit medische en arbeidsdeskundige rapporten bleek dat er wel mogelijkheden waren voor werkhervatting, wat door appellante onvoldoende werd benut.
De Raad verwierp het verweer van appellante dat zij mocht afgaan op het oordeel van het re-integratiebedrijf en de bedrijfsarts dat er geen re-integratiemogelijkheden meer waren. De verantwoordelijkheid voor re-integratie ligt bij werkgever en werknemer, ook ten aanzien van de geleverde diensten van deskundigen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard.