ECLI:NL:RBOBR:2026:723

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
25/758
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet WIAArt. 65 Wet WIAArt. 2 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 4 Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging doorbetalingsverplichting Ziektewet wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever

De werknemer was sinds mei 2022 ziek en ging in augustus 2022 ziek uit dienst. De bedrijfsarts stelde dat er geen benutbare re-integratiemogelijkheden waren, maar het UWV oordeelde dat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht om de werknemer te re-integreren. De werkgever betwistte dit en voerde aan dat de bedrijfsarts een beoordelingsruimte heeft die niet door de verzekeringsarts mocht worden overschreden.

De rechtbank beoordeelde het beroep aan de hand van de Wet WIA en de Beleidsregels poortwachter. Zij concludeerde dat het UWV terecht had vastgesteld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren en dat de bedrijfsarts zijn professionele marge had overschreden door te stellen dat er geen benutbare mogelijkheden waren. De medische gegevens en de functionele mogelijkhedenlijst van het UWV wezen op beperkte maar aanwezige arbeidsmogelijkheden.

De rechtbank stelde vast dat ook bij marginale arbeidsmogelijkheden van de werknemer van de werkgever verwacht mag worden dat zij re-integratie-inspanningen verricht. De werkgever had dit nagelaten, waardoor de verlenging van de doorbetalingsverplichting tot 7 mei 2025 terecht is. Het beroep werd ongegrond verklaard en de werkgever kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlenging van de doorbetalingsverplichting Ziektewet tot 7 mei 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/758

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. J.P.M. van Zijl),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres voldoende inspanningen heeft verricht om een werknemer te re-integreren. Volgens het UWV zijn de inspanningen van eiseres onvoldoende geweest en leidt dat tot verlenging van de doorbetalingsverplichting van de Ziektewetuitkering tot 7 mei 2025. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de doorbetalingsverplichting terecht is verlengd.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende waren en dat van een deugdelijke grond daarvoor geen sprake is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 1 mei 2024 heeft het UWV bepaald dat eiseres de Ziektewetuitkering van een van haar werknemers moet doorbetalen tot 7 mei 2025. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft een rapport met dagtekening 23 juni 2025 van J.M.W.N. Derks, medisch adviseur (hierna: medisch adviseur) ingebracht.
2.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift met daarbij een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B). Eiseres heeft daarop gereageerd met een rapport met dagtekening 17 december 2025 van de medisch adviseur. Het UWV heeft met een rapport van de verzekeringsarts B&B van 5 januari 2026 gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft bepaald dat kennisneming van door haar genoemde (medische) stukken niet wordt toegestaan aan eiseres, maar uitsluitend aan een gemachtigde die advocaat of arts is of daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. De rechtbank zal in de uitspraak daarom geen medische informatie opnemen over de werknemer, om te voorkomen dat eiseres alsnog kennisneemt van de medische situatie van de werknemer.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. De gemachtigde van het UWV heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de aan eiseres opgelegde doorbetalingsverplichting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Daartoe wordt eerst een opsomming gegeven van de feiten, daarna volgen het juridisch kader en de standpunten van partijen. Dan volgen de redenen van de rechtbank voor de beslissing en ten slotte de gevolgen van het oordeel van de rechtbank.
Feiten en omstandigheden
4. De werknemer was bij eiseres werkzaam als leerling monteur. Op 11 mei 2022 heeft hij zich ziekgemeld. Op 31 augustus 2022 is de werknemer ziek uit dienst gegaan.
4.1.
De bedrijfsarts heeft spreekuur gehouden met de werknemer op 1 december 2022. Daarbij heeft de bedrijfsarts opgemerkt dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt is. Op 7 maart 2023 heeft nogmaals een spreekuur plaatsgevonden en is een inzetbaarheidsprofiel ingevuld. De bedrijfsarts heeft daarbij overwogen dat, vanwege de fluctuaties in de belastbaarheid en de beperkingen, er nog geen re-integratiemogelijkheden zijn. Na een jaar ziekte heeft een eerstejaarsziektewet beoordeling (hierna: EZWb) plaatsgevonden. Daarvoor is de werknemer onderzocht door een arts van het UWV en door een arbeidsdeskundige. Het UWV heeft geoordeeld dat de werknemer ongeschikt was voor zijn eigen werk en dat hij minder dan 65% van zijn oorspronkelijke inkomen kon verdienen. Op 13 juli 2023, 18 september 2023 en 21 november 2023 hebben spreekuurcontacten plaatsgevonden. De bedrijfsarts heeft gerapporteerd dat er nog geen arbeidsmogelijkheden zijn. Op 9 februari 2024 heeft de werknemer een WIA [1] -uitkering aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden om na te gaan of eiseres aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Dit heeft geleid tot de besluitvorming genoemd onder 2.
Juridisch kader: wanneer kan de doorbetalingsverplichting worden verlengd?
5. Als een werknemer ziek wordt, moet de werkgever ervoor zorgen dat de werknemer goed begeleid wordt in dat verzuim en bij de re-integratie naar werk (verrichten van re-integratie-inspanningen). Als dat zonder deugdelijke grond (goede reden) niet goed genoeg gebeurt, krijgt de werknemer (nog) geen WIA-uitkering van het UWV en moet de werkgever de Ziektewetuitkering nog maximaal één jaar doorbetalen. Dat staat in artikel 26, tweede lid, van de Wet WIA. De beoordelingsmaatstaf die daarvoor geldt, is of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Dat staat in artikel 65 van Pro de Wet WIA.
5.1.
Het UWV gebruikt bij die beoordeling de “Beleidsregels beoordelingskader poortwachter” [2] (hierna: Beleidsregels poortwachter) en de “Werkwijzer Poortwachter” [3] , een eigen handleiding voor onder meer de aanpak en toetsing van re-integratie. Volgens de Werkwijzer Poortwachter is het doel van re-integratie dat de werknemer structureel in werk hervat. Dat werk moet zoveel mogelijk aansluiten bij de functionele mogelijkheden die de werknemer nog heeft (“passend werk”). Als het UWV het resultaat niet bevredigend vindt, zal volgens de Beleidsregels poortwachter bij de beoordeling worden gekeken naar datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Als er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende vindt, wordt geen doorbetalingsverplichting opgelegd. Ook als het UWV de re-integratie-inspanningen onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft, wordt geen doorbetalingsverplichting opgelegd.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het aan het UWV om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. [4]
5.3.
De CRvB heeft in zijn uitspraken van 23 november 2023 [5] en 26 maart 2025 [6] over de toets van het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts overwogen dat bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever (de zogeheten RIV-toets) aan de bedrijfsarts een professionele marge dient te worden gegund. De verzekeringsarts dient te toetsen of de bedrijfsarts op basis van de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in redelijkheid tot zijn sociaal medische handelwijze of zijn oordeel over de belastbaarheid van de werknemer heeft kunnen komen. Het enkele feit dat de verzekeringsarts achteraf oordelend in sociaal-medisch opzicht zelf anders zou hebben gehandeld of tot een afwijkende inschatting van de belastbaarheid komt, is in dit verband onvoldoende om te kunnen komen tot de conclusie dat de bedrijfsarts de hem toekomende professionele marge heeft overschreden en daarmee sprake is van een tekortkoming in het sociaal medisch handelen van de bedrijfsarts.
Het standpunt van het UWV
6. Het UWV stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een bevredigend resultaat en dat de re-integratieactiviteiten van eiseres onvoldoende zijn geweest. Er hebben namelijk geen re-integratie-inspanningen plaatsgevonden omdat de bedrijfsarts – ten onrechte – heeft geoordeeld dat er geen benutbare mogelijkheden waren. Eiseres heeft ook geen goede redenen waarom zij geen re-integratie-inspanningen verricht heeft en daarom is terecht bepaald dat eiseres de Ziektewetuitkering door moet betalen.
Het standpunt van eiseres
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er geen mogelijkheden voor re-integratie waren. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat de verzekeringsarts B&B miskend heeft dat de bedrijfsarts een bepaalde beoordelingsruimte heeft waarin de verzekeringsarts B&B niet mag treden; met deze beoordelingsruimte is op geen enkele wijze rekening gehouden. Ten slotte stelt eiseres dat de verzekeringsartsen van het UWV onvoldoende onderbouwd, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd hebben dat eiseres onvoldoende heeft gedaan om de werknemer te re-integreren.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
8. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een bevredigend resultaat. Dit betekent dat het UWV kon toekomen aan een beoordeling van de re-integratie-inspanningen. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of het UWV kon oordelen dat eiseres zich onvoldoende heeft ingespannen in de re-integratie van de werknemer en zo ja, of het UWV terecht stelt dat eiseres daarvoor geen goede reden had.
8.1.
De rechtbank oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende waren en dat van een deugdelijke grond geen sprake is. Zij legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De re-integratie inspanningen
9. Eiseres heeft geen re-integratie-inspanningen verricht. In de Beleidsregels poortwachter staat dat van werkgever en werknemer geen re-integratie-inspanningen (meer) verlangd worden, wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever. Wel beoordeelt het UWV in die situatie of in redelijkheid tot dit oordeel over het ontbreken van arbeidsmogelijkheden kon worden gekomen.
9.1.
Volgens eiseres heeft de bedrijfsarts terecht gesteld dat de werknemer geen re-integratiemogelijkheden had. Eiseres merkt hierbij op dat niet artikel 2 van Pro het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (hierna: Schattingsbesluit) van toepassing is, maar artikel 4, eerste lid, van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (hierna: Regeling procesgang). Daarnaast heeft de bedrijfsarts voldoende medische gegevens gesteld waaruit blijkt dat de werknemer geen re-integratiemogelijkheden had en bij de beoordeling moet de gehele medische situatie bekeken worden in plaats van losse onderdelen. Bovendien heeft de verzekeringsarts van het UWV geen rekening gehouden met de beoordelingsruimte van de bedrijfsarts.
9.2.
De rechtbank concludeert dat het UWV terecht besloten heeft dat niet in redelijkheid geoordeeld kon worden dat de arbeidsmogelijkheden ontbraken en dat de bedrijfsarts daarmee de hem toekomende professionele marge heeft overschreden.
9.3.
De rechtbank merkt hierbij allereerst op dat het door eiseres genoemde artikel 4 van Pro de Regeling procesgang, waarin staat dat een plan van aanpak opgesteld moet worden als er mogelijkheden zijn om de terugkeer naar arbeid te bevorderen, ingevuld wordt door ‘geen benutbare mogelijkheden’ zoals genoemd in artikel 2 van Pro het Schattingsbesluit. De rechtbank wijst daarbij op paragraaf 7.3 van de Beleidsregels poortwachter, bladzijde 32 van de Werkwijzer Poortwachter en vaste jurisprudentie van de CRvB. [7] Ook de verwijzing naar de niet meer bestaande circulaire ‘Aandachtspuntenlijst Landelijke Loonsanctiecommissie’ van het UWV van 9 maart 2009 (09C002) kan eiseres op basis van vaste jurisprudentie van de CRvB niet baten. [8]
9.4.
Volgens eiseres heeft de bedrijfsarts voldoende medische gegevens gesteld voor de conclusie dat er geen mogelijkheden waren tot re-integratie. De bedrijfsarts heeft in een brief van 28 juni 2024 toegelicht dat de werknemer een sterk wisselende belastbaarheid heeft waardoor inzetbaarheid in arbeid niet goed mogelijk is. Volgens de bedrijfsarts is dit in lijn met de bevindingen van de specialisten en de gestelde diagnosen. Eiseres wijst hierbij op de brief van de behandelaar van 18 juni 2024 waarin staat dat de werknemer kwetsbaar is in zijn dagelijks functioneren en dat zijn dagelijks functioneren zeer beperkt is. Uit het dossier blijkt dat de bedrijfsarts bij de spreekuurcontacten steeds gerapporteerd heeft dat er nog geen arbeidsmogelijkheden zijn.
9.5.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Gelet op de criteria van artikel 2 van Pro het Schattingsbesluit kon eiseres niet in redelijkheid tot het oordeel komen dat de werknemer geen arbeidsmogelijkheden had: geen van de daar genoemde situaties was van toepassing. De arts van het UWV heeft dit ook bij de EZWb geoordeeld en daarom een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin de beperkingen van de werknemer voor arbeid zijn opgenomen. Eiseres heeft, ondanks deze FML, geen re-integratie-inspanningen ondernomen.
9.6.
Wat betreft de beoordelingsruimte die de bedrijfsarts gegund moet worden, oordeelt de rechtbank dat het UWV het oordeel van de bedrijfsarts zorgvuldig en terughoudend getoetst heeft. De (verzekerings)artsen hebben namelijk op basis van de medische onderzoeksgegevens die bij de bedrijfsarts bekend waren beoordeeld en gemotiveerd onderbouwd waarom deze medische gegevens in redelijkheid geen aanleiding konden geven tot een situatie van geen benutbare mogelijkheden. Op basis van de informatie van de behandelaar was bij de werknemer namelijk geen sprake van wisselende belastbaarheid, waardoor geheel afgezien kon worden van re-integratie. Ook het hebben van fysieke klachten zonder onderliggende oorzaak en een urenbeperking van 2 uur per dag, 10 uur per week leidt niet tot de conclusie dat er (medische gezien) geen mogelijkheden zijn tot re-integratie: dat moet de arbeidsdeskundige beoordelen op basis van de door de bedrijfsarts vastgestelde beperkingen. Ook het kwetsbaar zijn van de werknemer is geen reden tot het afzien van re-integratie: hiermee kan rekening gehouden worden door beperkingen op te nemen voor arbeid. De rechtbank merkt hierbij op dat de arts van het UWV informatie heeft opgevraagd bij twee behandelaars en dat zowel de primaire arts als de verzekeringsarts B&B in bezwaar contact heeft opgenomen met de bedrijfsarts om na te gaan hoe deze tot zijn conclusies was gekomen. De rechtbank wil daarbij nog opmerken dat de brief van de behandelaar van 18 juni 2024 van na de periode in geding is en dat de bedrijfsarts dus niet beschikte over die brief bij zijn beoordeling. Het UWV heeft de professionele beoordelingsruimte van de bedrijfsarts in dit geval gerespecteerd.
9.7.
Eiseres stelt dat de verzekeringsarts B&B ten onrechte niet naar de integrale medische situatie van de werknemer heeft gekeken. Op basis van het dossier concludeert de rechtbank dat de verzekeringsarts B&B dit wel gedaan heeft; de verzekeringsarts B&B heeft zoals hiervoor beschreven een aantal punten die voor de bedrijfsarts reden waren om uit te gaan van geen benutbare mogelijkheden apart besproken, maar het UWV is steeds uitgegaan van de totale medische situatie van de werknemer. Er is ook niet gesteld of gebleken dat de (verzekerings)artsen van het UWV medische informatie gemist hebben.
9.8.
Voor wat betreft de stelling van de medisch adviseur van eiseres dat de werknemer marginale arbeidsmogelijkheden had, ook volgens de bedrijfsarts, merkt de rechtbank het volgende op. Duidelijk is dat de bedrijfsarts op 7 maart 2023 de beperkingen voor arbeid van de werknemer in kaart heeft gebracht in het inzetbaarheidsprofiel en dat daaruit kan worden afgeleid dat de werknemer op dat moment benutbare mogelijkheden had. Dit blijkt overigens ook uit de FML die het UWV heeft opgesteld bij de EZWb. Uit de rechtspraak van de CRvB volgt, dat ook als de arbeidsmogelijkheden beperkt worden ingeschat maar er strikt genomen geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden, van een werkgever gevergd kan worden dat hij in enige mate reintegratieinspanningen verricht. [9] Want het uitgangspunt is dat als er arbeidsmogelijkheden zijn, de werkgever zich moet inspannen voor re-integratie. Aangezien de werknemer over mogelijkheden beschikte, had mogen worden verwacht dat in enige mate was geprobeerd om activiteiten te ontwikkelen gericht op re-integratie van de werknemer. Dit staat ook in het door de medisch adviseur geciteerde stuk uit de Werkwijzer Poortwachter. Het UWV heeft hierbij terecht opgemerkt dat – anders dan de medisch adviseur lijkt te stellen – de arbeidsdeskundige beoordeelt of en zo ja, welke re-integratiemogelijkheden er zijn op basis van de door de bedrijfsarts dan wel verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De rechtbank concludeert dus dat ook als sprake was van marginale mogelijkheden, eiseres de re-integratie-inspanningen niet achterwege had mogen laten en dat daarom de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn geweest.
9.9.
Gelet op bovenstaande heeft het UWV voldoende onderbouwd, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat eiseres daarom tekortgeschoten is in wat in redelijkheid van haar had mogen worden verwacht ten aanzien van re-integratie-inspanningen en dat daarvoor geen deugdelijke grond is.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de doorbetalingsverplichting van de Ziektewet tot 7 mei 2025 in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, voorzitter, en mr. M. van den Brink en
mr. I.C. Meuris, leden, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, Wet WIA.
2.Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224.
3.Werkwijzer Poortwachter, versie 1 augustus 2022.
4.Centrale Raad van Beroep, 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570, r.o. 13.
5.Centrale Raad van Beroep, 23 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2216.
6.Centrale Raad van Beroep, 26 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:463.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1485 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2262.
8.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3921 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3921.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2726.