ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen recht meer op ziekengeld na beoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving sinds 1990 een WAO-uitkering en werkte tussen 2001 en 2003 deels onder toepassing van artikel 44 WAO Pro. Na ziekte en werkloosheid werd hem ziekengeld toegekend. Het UWV besloot per 21 september 2007 het ziekengeld te beëindigen omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit in stand hield op basis van een verkeerde maatstaf van arbeid. De Raad hanteerde het laatst verrichte werk als maatstaf.
Medische rapportages van verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts toonden aan dat appellant hersteld was en zijn psychische klachten waren afgenomen. De Raad achtte het aannemelijk dat appellant in staat was zijn werk als medewerker debiteurenadministratie naar behoren te verrichten. De medische gegevens in hoger beroep boden geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld, maar laat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand.