ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen een besluit van het UWV waarin een loonsanctie is opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen voor een zieke werknemer. De werknemer was sinds mei 2005 ziek gemeld en de loonsanctie werd opgelegd na afloop van de wachttijd van 104 weken, met een verlenging van 52 weken loonbetaling.
De rechtbank had het beroep van de werkgever ongegrond verklaard en oordeelde dat het UWV terecht de loonsanctie had opgelegd. In hoger beroep stelde de werkgever dat zij voldoende inspanningen had verricht, onder meer door de werknemer een proefplaatsing aan te bieden in een andere functie. Echter, na uitval wegens rugklachten en een medisch oordeel dat de werknemer geen benutbare mogelijkheden meer had, achtte het UWV de re-integratie-inspanningen onvoldoende.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV terecht had geconcludeerd dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, mede omdat er geen adequate stappen waren gezet richting het tweede spoor en de re-integratieactiviteiten voortijdig waren stopgezet zonder voldoende medische onderbouwing. Het achteraf toegekende WGA-uitkering aan de werknemer kon niet leiden tot een ander oordeel over de inspanningen in de relevante periode.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door de werkgever wordt bevestigd.